Wikisoc - De vrije informatiebron over sociaal recht in België

Welkom op de WikiSoc blog

WikiSoc is een blog waarin prof. Willy van Eeckhoutte fouten signaleert in of vragen stelt bij informatie over arbeids- of socialezekerheidsrecht in de media.
Niet de zoveelste opinie, maar hard recht

Terug naar overzicht

De RVA en de schriftelijke mededeling van de ontslagreden

Toch niet zo simpel als men op het eerste gezicht zou denken

17 februari 2014
De Tijd, zaterdag 15 februari 2014, p 1 en 37-38

Twee belangrijke zaken vooraf

1. Mededeling van de ontslagreden en C4 zijn twee verschillende documenten

 Bij wat volgt, is het belangrijk voor ogen te houden dat de schriftelijke mededeling van de reden voor het ontslag waarin de CAO nr. 109 voorziet, niet het bewijs van volledige werkloosheid C4 is waarvan sprake in het Werkloosheidsbesluit.

 De C4 is een “werkloosheidsbewijs” dat de werkgever spontaan moet bezorgen aan de werknemer wiens arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen, en uiterlijk de laatste arbeidsdag (art. 137, § 1, 1°, Werkloosheidsbesluit). Het is de C4 die de werkloze moet bezorgen aan de uitbetalingsinstelling (van de vakbond of de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen), niet de brief of ander document waarin de werkgever de ontslagreden opgeeft (art. 87, 1°, Uitvoeringsbesluit Werkloosheidsbesluit). Op het model van C4 komt een vakje voor dat het kopje “juiste oorzaak van de werkloosheid” draagt.

 Wanneer dus sancties worden opgelegd m.b.t. de afgifte of de inhoud van documenten die de werkgever moet invullen in het kader van de werkloosheidsverzekering, wordt enkel de C4 bedoeld, niet de schriftelijke opgave van het ontslagmotief die spontaan of op verzoek van de werknemer wordt opgesteld, dat laatste met toepassing van de CAO nr. 109. Dat blijkt overigens ook duidelijk uit het Sociaal Strafwetboek, waar de sancties vermeld staan (zie hieronder).

 

 2. Het werkloosheidsbureau van de RVA en sociaal inspecteurs zijn twee verschillende instanties

Het werkloosheidsbureau van de RVA, met aan het hoofd een directeur, is een regionale afdeling van die “parastatale” openbare instelling van sociale zekerheid (art. 5 Werkloosheidsbesluit).

 Aan de RVA zijn echter ook sociaal inspecteurs verbonden die, zoals andere sociale inspectiediensten, zeer ruime bevoegdheden hebben, o.m. wat betreft verhoor, het inwinnen van inlichtingen en het zich doen overleggen van documenten (art. 25, 28 en 29 Sociaal Strafwetboek). De omschrijving van “informatiedragers” die sociaal inspecteurs zich mogen doen voorleggen, is zo ruim dat de schriftelijke mededeling van de ontslagreden buiten de C4 ongetwijfeld daaronder valt (art. 28, § 1, 1°, en 2° Sociaal Strafwetboek).

Sociaal inspecteurs zijn echter enkel bevoegd als sprake kan zijn of is van inbreuken waarop sancties staan. Dat artikel 175, tweede lid, van het Werkloosheidsbesluit spreekt van “hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht” verandert daaraan niets. Ook de informatie en bemiddeling moeten te situeren zijn in het kader van de naleving van bepalingen waarop sancties staan. M.b.t. de werkloosheidsverzekering betekent dit dat de sociaal inspecteurs enkel kunnen optreden als zij menen dat de werknemer of de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk waarvoor het Sociaal Strafwetboek in die context in sancties voorziet.

 Wie die twee zaken in acht neem, komt tot het volgende antwoord op de volgende vragen. Zij hebben alle betrekking op de werkgever, niet op de werknemer.

 

 Vier vragen

 1. Heeft de RVA het recht de werkgever mededeling te vragen van de schriftelijke reden voor het ontslag?

 Ja.

 Het werkloosheidsbureau kan alle verklaringen en stukken, door de werkloze ingediend, nazien (art. 139, eerste lid, Werkloosheidsbesluit). Daaronder valt het nazicht van de “juiste oorzaak van de werkloosheid” die op de C4 voorkomt en die de RVA zou willen verifiëren aan de hand van de schriftelijke mededeling van de ontslagreden die de werkgever spontaan of op vraag aan de werknemer heeft gedaan.

Bovendien is het gewestelijk bureau ertoe gerechtigd “alle nodige onderzoekingen en navorsingen [te] doen, inzonderheid […] bij de werkgevers” (art. 139, tweede lid, Werkloosheidsbesluit).

Maar wanneer eraan zou worden gedacht de werkgever een sanctie op te leggen, bv. omdat hij weigert de brief aan de werknemer met opgave van de ontslagreden aan de RVA mee te delen, zijn enkel sociaal inspecteurs bevoegd onderzoeken te doen (art. 139, derde lid, Werkloosheidsbesluit). Dat brengt ons meteen bij de volgende vraag.

 

2. Aan welke sanctie stelt de werkgever zich bloot die weigert de schriftelijke mededeling van de ontslagreden aan de werknemer te bezorgen aan de RVA?

Geen als hij weigert die aan het werkloosheidsbureau van de RVA te overhandigen. Nergens wordt daaromtrent in een sanctie voorzien.

 Ook als de werkgever weigert de brief met het ontslagmotief te geven aan een sociaal inspecteur, al dan niet van de RVA, stelt hij zich niet bloot aan de sancties, van niveau 2, waarin artikel 226, d, van het Sociaal Strafwetboek voorziet voor het nalaten inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de werkloosheidscontrole, te verstrekken binnen de door de sociaal inspecteur vermelde termijnen. De incriminatie vermeldt “met toepassing van het […] koninklijk besluit van 25 november 1991”. De schriftelijke mededeling van de reden die de werkgever aan de werknemer doet en die los staat van de C4, heeft daarmee niets te maken. Het zou enkel anders zijn als de sociaal inspecteur zou willen onderzoeken of de vermelding van de werkgever op de C4 niet een “juiste oorzaak van de werkloosheid” vermeldt die tot doel heeft de werknemer in staat te stellen onterecht werkloosheidsuitkering te ontvangen. Maar dan zou de sociaal inspecteur dat moeten vermelden bij het begin van het verhoor en de werkgever meedelen dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen (art. 47bis Sv.).

 Dat weigerende werkgevers zich zouden blootstellen aan de sanctie van niveau 4 waarmee artikel 209 van het Sociaal Strafwetboek verhindering van toezicht bestraft, is zeer twijfelachtig.

Men kan de door de werknemer gevraagde schriftelijke opgave van de ontslagreden misschien nog beschouwen als “een informatiedrager die gegevens bevat die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt”, met name op grond van de CAO nr. 109, waarvan een sociaal inspecteur de voorlegging kan eisen ook al is hij, bv. als RVA-inspecteur, niet belast met het toezicht op de toepassing van die “wetgeving” (art. 28, § 1, Sociaal Strafwetboek). Maar als een werkgever verwijst naar de C4, betwijfel ik sterk dat de weigering het document met de ontslagmotivering mee te delen, als verhindering van toezicht zal worden beschouwd, misdrijf dat bijzonder opzet vereist. Het zou enkel anders zijn als de sociaal inspecteur te kennen zou geven dat hij de werkgever wil ondervragen over de conformiteit tussen de “juiste oorzaak van de werkloosheid” vermeld op de C4 en de reden die de werkgever op verzoek van de werknemer aan deze laatste heeft meegedeeld, met het oog op de eventuele vaststelling van een misdrijf begaan door de werkgever (zie hieronder).

Maar in ieder geval is een spontane schriftelijke opgave van het ontslagmotief zeker geen “informatiedrager met sociale gegevens” als bedoeld in artikel 28 van het Sociaal Strafwetboek, zodat de weigering die over te leggen, betrekking heeft op een “andere informatiedrager”, in de zin van artikel 29 van het Sociaal Strafwetboek. Artikel 209 van dat wetboek zegt expliciet dat de weigering dergelijke informatiedragers aan sociaal inspecteurs te bezorgen, geen verhindering van toezicht kan vormen.

 

 3. Aan welke sanctie stelt de werkgever zich bloot die een onjuiste ontslagreden opgeeft aan de werknemer?

 Met een sanctie van niveau 2 wordt gestraft, de werkgever die "onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd aangaande het ontslag [...] met toepassing van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991" (art. 226, c, van het Sociaal Strafwetboek).

De C4 valt hieronder. Maar de schriftelijke mededeling van de ontslagreden is geen verklaring die wordt afgelegd met toepassing van de regels van de werkloosheidsverzekering.

Het Sociaal Strafwetboek bestraft ook nog, deze keer met een sanctie van niveau 4, eenieder die valsheid in geschrifte heeft gepleegd, onder meer door "vervalsing van feiten die [een akte] ten doel had op te nemen of vast te stellen" (art. 232, 1°, a, Sociaal Strafwetboek). Maar dat is, blijkens de incriminatie, alleen strafbaar als het gebeurde met een welbepaald oogmerk, zoals ten onrechte een sociaal voordeel doen verkrijgen. De ontslagreden die een werkgever opgeeft buiten de C4 heeft helemaal nooit dergelijk doel, aangezien die mededeling niet bestemd is voor de RVA.

Met dezelfde straf wordt beteugeld, eenieder die wetens en willens een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd om ten onrechte een sociaal voordeel te doen bekomen (art. 233, § 1, 1°). De schriftelijke opgave van het ontslagmotief valt daaronder zeker niet: zij werd niet meegedeeld met het oog op het verkrijgen van een werkloosheidsuitkering. Zoals gezegd, is enkel de C4 relevant voor het recht op werkloosheidsuitkering.

Om na te gaan of de werkgever niet de C4  heeft “vervalst” zou een sociaal inspecteur natuurlijk wel kunnen vragen dat de werkgever hem meedeelt welke reden hij heeft vermeld op de kennisgeving die hij naar aanleiding van het ontslag aan de werknemer deed. Of de werkgever in dat kader mag weigeren dat document te overhandigen, kan weer worden betwist: niemand, ook een werkgever niet, is verplicht mee te werken aan de bewijsvoering tegen zichzelf.

 

Conclusie

 De schriftelijke opgave van de reden tot ontslag buiten de C4 in wezen een zaak tussen werkgever en werknemer.

 De RVA kan de werkgever wel vragen hem dat document te bezorgen. En de werkgever kan en mag op dat verzoek natuurlijk ingaan.

 Maar de werkgever kan dat ook probleemloos weigeren als het gaat om een geval waarin hij de reden spontaan heeft opgegeven.

 Gaat het om een reden die op verzoek van de werknemer is opgegeven met toepassing van de CAO nr. 109, dan is de werkgever enkel verplicht het document af te geven als hij ervan wordt verdacht op de C4 een onjuiste “oorzaak van de werkloosheid” te hebben vermeld om de werknemer aan een werkloosheidsuitkering te helpen. De sociaal inspecteur moet hem dat dan ook zo zeggen. 

Categorieën: Werkloosheidsverzekering

Inschrijven

Updates ontvangen via mail?

WikiSoc volgen via Twitter

 

Wikisoc volgen via Google+

 

 

WAT? wx5 (wwwww) 

 Wij Willen Wettelijke Waarheden Weten 

 

De media verspreiden voortdurend informatie die rechtstreeks of onrechtstreeks juridisch is.

  

Wikisoc speurt naar nieuwsmededelingen met sociaalrechtelijke informatie die vragen oproepen (en probeert die vragen te beantwoorden).

 

 

VOOR WIE?

 

 Voor de (al dan niet eeuwige) student en voor al wie (minstens voor een stukje) leeft om te leren, zoals de auteur.

 

 

DE AUTEUR 

 

 

advocaat Willy van Eeckhoutte

 

professor Willy van Eeckhoutte

 

ANDERE INFORMATIE OVER SOCIAAL RECHT:

klik op de afbeelding

 

 

           

 

          

 

 

Trefwoorden