Wikisoc - De vrije informatiebron over sociaal recht in België

Welkom op de WikiSoc blog

WikiSoc is een blog waarin prof. Willy van Eeckhoutte fouten signaleert in of vragen stelt bij informatie over arbeids- of socialezekerheidsrecht in de media.
Niet de zoveelste opinie, maar hard recht

Terug naar overzicht

Kindergeld voor politieke vluchtelingen

Een kwestie van wachten?

02 september 2015
De Morgen, dinsdag 1 september 2015, p. 6
De Standaard, dinsdag 1 september 2015, p. 6

Gisteren en eergisteren gonsde het in de media over de nieuwe voorwaarden die Denemarken met ingang van 1 september 2015 stelt voor het recht op gezinsbijslag van personen die politiek asiel hebben gekregen: twee jaar wachten. “Dat moeten wij ook in België hebben”, zo klonk het her en der. Minstens is “die piste” de moeite waard te onderzoeken.

 Welnu, ik heb ze onderzocht. Dat leverde het volgende resultaat op: de vraag is niet of wij voor vluchtelingen een wachttijd moeten invoeren; vraag is, moeten wij die opnieuw invoeren. Want inderdaad, wij hebben die al gehad.

 

Sociale zekerheid en van de sociale bijstand

 Algemene Kinderbijslagwet

Tenzij zij in België werknemer, zelfstandige of ambtenaar zouden zijn of geweest zijn, kunnen erkende politieke vluchtelingen geen beroep doen op de gezinsbijslagregeling van de Algemene Kinderbijslagwet. Die is immers principieel voorbehouden voor die drie beroepscategorieën (art. 1 – 3 Algemene Kinderbijslagwet)

Weliswaar vallen ook een niet-beroepsmatig actieve personen onder die regeling, met name studenten,  gehandicapten en personen die de last van een gehandicapt kind dragen (art. 56quinquies - 56septies Algemene Kinderbijslagwet). Maar dat is niet het geval voor wie niet tot een van die categorieën behoort.

 

 Gewaarborgde gezinsbijslag

Voor andere niet-actieven bestaat sinds een socialebijstandsregeling, die van de gewaarborgde gezinsbijslag. Het gaat om een residuair stelsel dat ervoor moet zorgen dat de kinderen die van het verplicht stelsel zijn uitgesloten, ook het voordeel van gezinsbijslag zouden genieten (Parl. St. Senaat, 1970-1971, nr. 576, 1). Het steunt niet op bijdragen, is m.a.w. niet-contributief, maar op solidariteit. Daarom geldt in de eerste plaats een inkomensvoorwaarde: de aanvrager mag niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken.

 

Drie figuren

 In zowel de gezinsbijslagregeling van de eigenlijke sociale zekerheid als in die van de gewaarborgde gezinsbijslag komen drie figuren aan bod: de rechthebbende, die het recht op gezinsbijslag doet ontstaan, het rechtgevend kind, ten behoeve van wie de gezinsbijslag wordt toegekend en de bijslagtrekkende, die de gezinsbijslag ontvangt. Voor ons onderwerp, politieke vluchtelingen en gewaarborgde gezinsbijslag, zijn enkel de twee eerste figuren van belang.

 

 Rechthebbenden

 In de Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag wijst artikel 1 aan wie het recht op bijslag doet ontstaan en wie dus rechthebbende is. Het is een fraai voorbeeld van hoe socialezekerheidsrecht leeft: dat ene artikel werd sinds 1971 niet minder dan 23 keer gewijzigd en het Grondwettelijk Hof heeft over (verschillende versies daarvan) al acht arresten gewezen. Het is dan ook niet te verbazen dat deze "post" erg lang is uitgevallen.

Aanvankelijk, bij de inwerkingtreding van de regeling op 1 januari 1972, deed iedere natuurlijke persoon die de uitsluitend of hoofdzakelijk een de kind ten laste had, recht op gewaarborgde gezinsbijslag ontstaan. Nationaliteits- of verblijfsvoorwaarden waren er niet voor de rechthebbende (wel een verblijfsvoorwaarde voor het kind, waarover hieronder meer): buitenlanders of erkend politieke vluchtelingen waren dus om die reden niet uitgesloten van het recht op gewaarborgde gezinsbijslag.

 Maar wat in 1972 nog kon, was moeilijker te dragen in de jaren tachtig. Met ingang van 1 januari 1984 legde de wet een voorwaarde van voorafgaand verblijf op: de rechthebbende natuurlijke persoon moest werkelijk en ononderbroken in België verbleven hebben gedurende tenminste de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag voorafgaan (art. 1 koninklijk besluit nr. 242 van 31 december 1983 tot wijziging van de wet van 20 juli 1972 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag). Het was een besparingsmaatregel, die het toenmalige Arbitragehof als volgt uitdrukte, o.m. in zijn eerste arrest over die bepaling, het arrest nr. 83/95 van 14 december 1995: de wetgever heeft, gelet op het niet-contributief karakter van het residuair stelsel dat de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag is, het voordeel ervan afhankelijk gesteld van “een voldoende band met België”.

In het voornoemde arrest, gewezen in antwoord op een prejudiciële vraag, oordeelde het Arbitragehof dat de bijkomende vereiste van een verblijf van ten minste vijf jaar voor de Belgische rechthebbende, naast de voorwaarde van werkelijk verblijf van het kind – waarover hieronder meer - onevenredig lijkt met “de zorg om het voordeel van het residuaire stelsel uit te breiden, evenwel met de vereiste dat een voldoende band met de Belgische Staat is vastgesteld”. De hoedanigheid van Belg van de rechthebbende, in samenhang met de verblijfsvoorwaarde voor het kind, bewijst volgens het Hof immers voldoende de nagestreefde verbondenheid met de Belgische Staat : het lijkt niet redelijk verantwoord daarenboven van de rechthebbende een voorafgaand verblijf van een bepaalde duur te eisen in het land waarvan hij onderdaan is.

 Nog vóór de uitspraak van het Arbitragehof was de tekst van artikel 1 van de Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag echter al gewijzigd omwille van een aanval komende van uit een andere hoek. De Europese Commissie opperde bezwaren tegen de voorwaarde van een voorafgaan verblijf van vijf jaar voor alle rechthebbenden, voorwaarde die overigens ook voorkwam in andere socialebijstandsregelingen. Volgens de Commissie maakte de voorwaarde van een voorafgaand verblijf een indirecte discriminatie uit aangezien zij veel moeilijker kan worden vervuld door onderdanen van andere lidstaten van de (toen nog) Europese Gemeenschap.

 Om de wetgeving conform te maken met wat toen nog het “communautair recht” werd genoemd, schafte de wetgever de vereiste van vijf jaar verblijf die aan rechthebbenden werd gesteld, met ingang van 1 januari 1990 af voor EG-onderdanen en dus uiteraard ook voor Belgen. Zij werd vervangen door de simpele eis in België te  verblijven (art. 47 wet 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen). Dat gebeurde trouwens ook in de andere socialebijstandsregelingen, met name het gewaarborgd inkomen voor bejaarden (thans: inkomensgarantie voor ouderen), de tegemoetkomingen aan gehandicapten (thans: aan personen met een handicap) en het bestaansminimum (thans: leefloon). Meteen werden ook politieke vluchtelingen – en hier zijn wij bij ons onderwerp -  zonder omhaal of debat eveneens vrijgesteld van de voorwaarde van voorafgaand verblijf met de eenvoudige reden “opdat geen discriminatie zou worden ingeschreven tussen Belgen en vluchtelingen” (Parl. St. Senaat, 1990-91, nr. 1374/1, 21-22).

In 1996 werden ook onderdanen van lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER) vrijgesteld van de voorwaarde van een voorafgaand verblijf (art. 59 wet 29 april 1996 wet houdende sociale bepalingen). Aldus werden Belgen, EU- en EER-onderdanen, vluchtelingen en staatlozen op identieke wijze behandeld.

 Vanaf 1 maart 2009 werd bijkomend vrijgesteld van de voorwaarde van voorafgaand verblijf die artikel 1 van de Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag voor rechthebbenden stelt, de persoon die, zonder zelf te voldoen aan de principiële voorwaarden om rechthebbende te zijn op gewaarborgde gezinsbijslag, die bijslag aanvraagt ten behoeve van een kind dat erkende vluchteling is (art. 34 wet 30 december 2009 houdende diverse bepalingen - art. 1, § 1, 7de lid,5° Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag). Deze bepaling geeft gevolg aan het arrest 62/2009 van 25 maart 2009 van het Grondwettelijk Hof, waarin het Hof besliste dat, indien alle andere voorwaarden vervuld zijn, waaronder het verblijf in België van de aanvrager en een kind met de Belgische nationaliteit, de aanvrager niet kan worden verplicht ook nog te voldoen aan de voorwaarde van een voorafgaand verblijf van vijf jaar in België om het recht op deze bijslag te openen, indien het kind Belg is: de nagestreefde verbondenheid met de Belgische Staat is dan al voldoende aangetoond (ro. B.7). Een jaar later besliste het Grondwettelijk Hof in dezelfde zin wanneer het gaat om een kind dat onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie (Gw H 29 april 2010 nr. 48/2010).

 Eveneens met ingang van 1 maart 2009 werd de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag verruimd via een toevoeging aan de uitsluiting van de voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf, van “kinderen die krachtens toepasselijke internationale normen dienen gelijkgesteld te worden met Belgische kinderen” (Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 2299/001,29). Het gaat om de rechthebbenden die een kind ten laste hebben dat onderdaan is van een staat die onder de toepassing valt van de verordening nr. 1408/71 (thans: nr. 883/2004), of onderdaan is van een staat die het Europees Sociaal Handvest of het herziene Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd.

 Als gevolg van een arrest van het Grondwettelijk Hof werd daaraan in 2013 nog een categorie toegevoegd: door enkel erkende politieke vluchtelingen en niet ook de personen die de subsidiaire beschermingsstatus genieten waarin artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet voorziet (een tot vijf jaar verlengbare verblijfstitel van één jaar voor wie door terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade) vrij te stellen van de voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf, schendt artikel 1 van de Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod, aldus het Grondwettelijk Hof (Gw H 8 maart 2012, nr. 42/2012). De vermelding, in het zevende lid, 3°, van artikel 1 van de Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag, van de vluchtelingen werd daarop met ingang van 1 januari 2013 aangevuld met de personen die de boven bedoelde subsidiaire beschermingsstatus hebben (art. 31 wet 21 december 2013 houdende dringende diverse bepalingen inzake sociale wetgeving).

 

 Rechtgevende kinderen

 De vraag ten behoeve van welke kinderen de in aanmerking komende rechthebbenden recht doen ontstaan op gewaarborgde gezinsbijslag, maakt het voorwerp uit van artikel 2 van de Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag.

 Aanvankelijk, bij de inwerkingtreding van de regeling in 1972, werd de gewaarborgde gezinsbijslag enkel toegekend ten voordele van kinderen die Belg zijn en in België werkelijk verblijven. Dat werd verantwoord door de integrale financiering van de gewaarborgde gezinsbijslag ten laste van de Belgische Staat (Arbitragehof 28 juni 2006, nr. 110/2006, ro B.5.1). Een wachttijd in de zin van een vereiste vooraf een aantal jaren in België te hebben gewoond, was er niet.

 Met ingang van 1984 schrapte het hierboven al genoemde volmachtenbesluit KB nr. 242 de voorwaarde dat het kind Belg moet zijn. De nationaliteitsvoorwaarde werd vervangen door een gelijkaardige voorwaarde van voorafgaand verblijf als die welke dat besluit invoerde voor bepaalde rechthebbenden. De bedoeling was tegemoet te komen aan de vereiste van gelijke behandeling (verslag aan de Koning vóór het KB nr. 42, BS 13 januari 1984, 379). Meer bepaald werd van sommige kinderen (zij die geen bloedverwant tot en met de derde graad van de aanvrager van gewaarborgde gezinsbijslag zijn, noch kind van diens echtgenoot of gewezen echtgenoot of van de persoon met wie hij een huishouden vormt) geëist dat ook zij, zoals de aanvrager-rechthebbende die het recht wil doen ontstaan, gedurende ten minste de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag voorafgaan, werkelijk en ononderbroken regelmatig in België hebben verbleven (art. 2 KB nr. 242).

 

Conclusies

 1. Politieke vluchtelingen die de uitsluitende of hoofdzakelijke last van een kind voor wie geen recht op gezinsbijslag bestaat op grond van een andere wettelijke regeling, doen principieel recht ontstaan op gewaarborgde gezinsbijslag (art. 1, eerste lid, Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag). Uiteraard mogen zij niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken (art. 3 Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag).

 Zoals o.a. Belgen, EU- en EER-onderdanen en staatlozen zijn erkende politieke vluchtelingen sinds 1 januari 1990 vrijgesteld van de voorwaarde werkelijk en ononderbroken verbleven hebben in België gedurende minstens de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag voorafgaan. Voor personen die de subsidiaire beschermingsstatus genieten, is die vrijstelling sinds 1 januari 2013 in de wetgeving ingeschreven (art. 1, 7de lid, 3°, Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag).

 De wederinvoering van een “wachttijd” zou dus een terugkeer betekenen naar de situatie van vóór 1990. Een kwart eeuw terug dus.

2. Afgezien van mogelijke juridische bezwaren (vanuit o.a. het Vluchtelingen- en het Kinderrechtenverdrag, de standstillverplichting en het discriminatieverbod) kan men zich afvragen of de wederinvoering van een “wachttijd” voor het recht op gewaarborgde gezinsbijslag van erkende politieke vluchtelingen wel tot een besparing zou leiden. In het arrest nr. 110/2006 van 28 juni 2006 maakt het Arbitragehof duidelijk dat het de uitsluiting van het recht op gewaarborgde gezinsbijslag van niet regelmatig in België verblijvende vreemdelingen maar verenigbaar acht met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod in de mate dat de ocmw’s bij het toekennen van de volledige maatschappelijke dienstverlening  waarop het kind recht heeft op grond van het Kinderrechtenverdrag, rekeningen houden met het feit dat de moeder wegens haar illegale verblijf geen gewaarborgde gezinsbijslag voor haar kind geniet (ro. B.7.2). Weliswaar is het recht op maatschappelijke dienstverlening voor kinderen jonger dan achttien jaar die met hun ouders illegaal in België verblijven, sindsdien ingeperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en die uitsluitend wordt verstrekt in een federaal opvangcentrum (art. 57, § 2, eerste lid, 2°, Ocmw-wet). Maar sindsdien besliste het Grondwettelijk Hof al in dezelfde zin m.b.t. een buitenlandse aanvrager van gewaarborgde gezinsbijslag voor een kind dat onderdaan is van een staat die geen lid is van de Europese Unie door te verwijzen naar het recht op maatschappelijke dienstverlening: de uitsluiting van het recht op gewaarborgde gezinsbijslag van dergelijk kind wordt mede verantwoord door het feit dat binnen de grenzen bepaald door artikel 57 van de Ocmw-wet, om maatschappelijke dienstverlening kan worden verzocht indien zou blijken dat, in afwachting dat aan de voorwaarden voor de toekenning van gewaarborgde gezinsbijslag is voldaan, de bestaansmiddelen van de aanvrager hem niet toelaten te voorzien in de reële en actuele behoeften van het kind, zodat zijn gezondheid en zijn ontwikkeling worden gevrijwaard (GwH 21 februari 2013 nr. 12/2013, ro. B.13).

Het is evident dat dezelfde redenering zal worden toegepast als aan erkende politieke vluchtelingen het recht op gewaarborgde gezinsbijslag wordt ontzegd omdat hij niet voldoet aan een weder ingevoerde wachttijd. Wat m.a.w. de gezinsbijslagregeling van de sociale zekerheid daardoor zou besparen, zal wellicht via de maatschappelijke dienstverlening toch weer worden toegekend. Broekzak-vestzakoperaties noemt men dat.

Inschrijven

Updates ontvangen via mail?

WikiSoc volgen via Twitter

 

Wikisoc volgen via Google+

 

 

WAT? wx5 (wwwww) 

 Wij Willen Wettelijke Waarheden Weten 

 

De media verspreiden voortdurend informatie die rechtstreeks of onrechtstreeks juridisch is.

  

Wikisoc speurt naar nieuwsmededelingen met sociaalrechtelijke informatie die vragen oproepen (en probeert die vragen te beantwoorden).

 

 

VOOR WIE?

 

 Voor de (al dan niet eeuwige) student en voor al wie (minstens voor een stukje) leeft om te leren, zoals de auteur.

 

 

DE AUTEUR 

 

 

advocaat Willy van Eeckhoutte

 

professor Willy van Eeckhoutte

 

ANDERE INFORMATIE OVER SOCIAAL RECHT:

klik op de afbeelding

 

 

           

 

          

 

 

Trefwoorden